home
agenda en tips
redactie
uitgeverij
links
(over) literatuur:
literatuur
recensies
tweedehands boeken
(over) veganisme:
veganisme FAQ
recepten
uit het nieuws
achtergronden bij uit het nieuws
schoenen
weblogs:
balthasarsblog
haasblog
mirjamsblog
mopperblog
nielsblog
mirjamsschrijfsels:
artikelen
columns
recensies
boek
andermensschrijfsels:
joop boer
andere projecten van (medewerkers van) De Zeepkist :
www.nielsdebeer.nl
www.voedselencyclopedie.nl
www.leefbarewereld.nl
onderwerpen balthasarsblog:
Valletjes
Klaphekje-onder-door
In plaats van kaarten
Onderhoud
Jan Voerman sr.
Grass
Kolere
Be prepared
Ontmoeting
Dag van de arbeid
Lopen in Limburg
Enen en nullen
Toiletjuffrouw
Observeren maar
1ste kwart 2008
4de kwart 2007
jul/aug/sep 2007
apr/mei/jun 2007
ja/fe/ma 2007
okt/nov/dec 2006
aug/sep 2006
juli 2006
juni 2006
mei 2006
april 2006
maart 2006
februari 2006
januari 2006
2005
|
balthasarsblog april, mei, juni 2007
28 juni 2007
Valletjes
* Prrprr. Prrprr. [Er gaat een telefoon over, een gewone telefoon. En dus niks ‘tiedeliedomtiedeliedom’ of rinkelende glasscherven of een blaffende hond zoals laatst in de trein. ‘De telefoon gaat’ - zoals in een ordentelijke Hitchcockfilm of in deel twaalf van de hoorspelserie ‘Paul Vlaanderen en het Gilbert-mysterie’. Er is direct spanning, maar tóch: een gewone telefoon met een doodgewoon geluid: Prrprr. Prrprr.]
- Met L. spreekt u.
- O, je bent dus niet bridgen?
- Bridgen? Ik? Nee, B., want ik herken je stem meteen hoor. Bridgen doe ik niet he. Alleen rikken en jokeren. Dinsdags rikken. Donderdags jokeren. Meer kaart ik niet.
- Dus je bent vanavond vrij? Wat ga je doen?
- Haken denk ik.
- Wat dan?
- Nieuwe gordijntjes, ja alleen maar valletjes hoor, voor m’n ramen. Want ik heb nou vier stel, één voor de ramen en drie in de kast. En eentje is aan het slijten. Dus.
- Nog een leuk kleurtje in gedachten? Lichtgroen of een beetje bonte boel?
- Nee, gek. Ecru natuurlijk. Net als altijd. Al m’n gordijntjes zijn ecru. Andere kleuren passen niet bij m’n flatje en m’n spullen he.
- Maar waarom dan weer nieuwe gordijntjes haken als je al vier stel ecru hebt?
- Patronen jongen. Patronen. Elk stel valletjes heeft een ander patroontje he.
- En dat zie jij dan?
- Ja, dat zie ik meteen als ik ernaar kijk natuurlijk. En soms denk ik dan ineens, ik zal ’s iets anders ophangen. Of zoals van de week, toen zag ik ergens een leuk patroontje. En dat ga ik nou maken, dus. Ja, je moet iets he. Maar waarom bel je eigenlijk? Want je belt natuurlijk niet voor niks.
- Toch wel. Ik wou een blogje maken, en toen wist ik even niks. Dus ik dacht ik bel L. ’s even. Kijken wat zij vanavond doet. Gewoon even praten. Leuk toch?
- Ja… Ja! - Dat was het? Want ik moet nou m’n eten opzetten. Boontjes, en ik heb nog twee gehaktballetjes van gisteren. Ik zeg het maar vast, anders ga je dat toch weer vragen. Hoe is het weer bij jullie? Verder alles goed bij jullie? Met de kinderen ook? Nou, vooruit, ik ga m’n aardappeltje ’s schillen. Bedankt voor het bellen. En we spreken mekaar wel weer. Da…
- Maar ik wou je nog een gedicht voorlezen, van vroeger, van vlak voordat onze pa doodging. Wil je dat nog horen, nou?
- Doe maar ’n andere keer. Want ik ben nou al zo laat he. Doei! Daag!
* Prrprr. Prrprr. [Mijn telefoon. Ook zo’n doodgewoon geval, zonder malle fratsen. Dat kent u toch nog wel?]
- Balthasar, goedenavond.
- Ja, nog even met mij. Doe dat gedicht toch maar, want ik moet er steeds aan denken. En dan schiet m’n eten niet op. En als ik je later op de avond bel dan ben je natuurlijk niet thuis. M’n boontjes wachten wel even. Een gedicht over onze pa?
- Ja, uit 1981, een paar maanden voor ie doodging. In die tijd schreef ik nog wel ’s gedichten. En van de week kwam ik een bundeltje uit die tijd tegen, ‘Goed, dank u – Goed, dank u’ zo heette het, nou ja, het heet natuurlijk nóg zo. En daarin staat dus dat gedichtje over onze pa dat ik jou wil voorlezen, zeg jij eigenlijk pa of papa?
- Ik zeg altijd pap, onze pap, maar dat maakt nou toch niks uit?
- Nou ja, nee, nou goed eigenlijk niet. Even de papieren erbij pakken. Zo, daar gaat ie. Het heet: ‘Klein dood vogeltje’, het rijmt niet, en nou zie ik ineens dat het geen interpunctie heeft, en dat er eigenlijk ook een paar typografische grapjes in staan die ik niet goed kan voorlezen, godja 1981 he! Ik zal het wel proberen, maar als je wilt stuur ik je vandaag nog even een kopietje met de post. Dat is misschien wel beter.
- Schiet nou maar op, en lees het voor of lees het niet voor, B.
- Okee dan, daar gaat ie. Fijn dat je even tijd hebt.
KLEIN DOOD VOGELTJE
vannacht
is het voor het eerst gebeurd
mijn vadertje hij zat
in mijn droom
in een hoek
van zijn te groot geworden stoel
op een goudgeel geborduurd kussen nauwe
lijks vel nog over benen
die de grond niet meer raakten
volmaakt dood te zijn dat
afgebrand uitgeblust leven
uit het eind van de vorige eeuw en
zijn langzame ademhaling hing
nog even heel even
in de warme zeer warme kamer
toen hij pfff
zonder trilling of beven maar
de rit volkomen uitgegleden
aan de stilte van het eindsta
tion
wa
s
en morgen misschien wel
is
naar boven
21 juni 2007
Klaphekje-onder-door
* Afgelopen zondag met enkele dierbare familieleden nog een aardig wandelingetje gemaakt, “’t Klaphekje”. Het is een korte rondwandeling in de nabije omgeving, een omtrekkende beweging om een fantastisch optrekje met bijbehorend landgoed heen. Deze buitenplaats (kortweg “Klaphek” geheten) staat te koop, en kost een paar stuivers, in de miljoenen dus. Maar daar gaat het hier nu niet om. Het gaat om dat heerlijke wandelingetje van pakweg ruim een uur, zeg anderhalf uur. Je hoeft er geen echte wandelschoenen voor aan te trekken of boterhammen voor in te pakken, beter is het om de korte broek te verruilen voor een lange wegens hoogopgaand gras, brandnetels en braamstruiken. En vanwege mogelijke teken natuurlijk, daar wordt tegenwoordig zowat dagelijks voor gewaarschuwd. Maar mevrouw Balthasar en ik waren natuurlijk eigenwijs: en hadden de korte broeken aangehouden.
* Onderweg naar “’t Klaphekje” passeer je de lieflijkste optrekjes en bedoeninkjes, van die woonsten waarvan je spontaan voelt dat je daar wel zou willen huizen. Mooi verstoken in het groen, loverrijke buitenzitjes, beschutte achter- en zijkanten met verre en vrije uitzichten, een diepzwart watertje langszij. De meegaande familie verging het niet anders. Nog voor we aan “’t Klaphekje” begonnen, waren de dames al minstens drie keer onder de pannen, de middag kon niet meer stuk. En met de financiering, ach wat nou de financiering, daar ging het nu niet om. Bovendien waren hun wensen klein en beslist billijk, comfort was maar heel betrekkelijk, en waarom zou dat dus niet kunnen? Bovendien zou vriendin A. kunnen meebetalen, die konden ze er wel bij hebben. Nee, over de financiering nu maar even geen zorgen. Het was sowieso geen middag voor zorgen.
* “Klaphekje” en “Klaphek” overtroffen de stoutste verwachtingen - ‘niet verder vertellen, dit houden we voorlopig voor onszelf, laat die huizenkijkers maar op de harde weg blijven’ - de tekencontrole bleef negatief (alleen een jeukende muggenbult hier en daar, iets voor kniesoren) en gezamenlijk concludeerden we nog maar eens dat de houtgepaalde doorgangssluisjes dikke wandelaars voor onoverkomelijke problemen zouden plaatsen. Tevreden met ons eigen gewicht en lichaamsomvang lieten we “’t Klaphekje” achter ons dichtvallen, en begonnen we aan de terugtocht ‘maar dan weer anders’ (mevr. B.). Ter hoogte van “Huize de Dam” (of was het “De Nieuwe Dam”, dat weet ik niet zeker meer) werd het prachtpad versperd door een witte slagboom, een draaibare slagboom met hangslot, alleen te openen voor koetsen en HumVee’s (of hoe heten die dikke patserwagens voor rijke schriele vrouwtjes en dito macho mannetjes?).
* Meestal is het voor wandelaars geen punt om hetzij links hetzij rechts om een slagboom heen te lopen en het prachtpad te vervolgen. Dat kon ook hier met gemak. Maar mevrouw B. - altijd tuk op non-existente weggetjes, onbetreden paadjes en onverwachte invallen en acties - ging de slagboom als een brug met ongelijke leggers te lijf. Ze greep de bovenkant met beide handen beet en zwierde in een reuzenzwaai onder de slagboom door. Dat was althans de bedoeling. De slagboom, waarvan het hangslot niet gesloten bleek te zijn, zwaaide in al zijn magistrale breedte open en mevrouw B. beet struikelend in het zand. De korte broek bood onvoldoende bescherming en mevrouws bruine benen verschoten stante pede van kleur. Het was een hilarische actie, maar ja, je weet nooit hoe het het slachtoffer vergaat. Dus je houdt je opkomende schater binnen de omheining van je tanden, en wacht af. Leuk, maar hoe erg zal het zijn? Het was niet erg, mevrouw B. schoot in een struikellach en liet zich languit op het prachtpad schuiven. Wij schoten te hulp, maar dat was alleen om ons een houding te geven, nodig was het niet, welnee, helemaal niet.
* Lachend en luidop genietend vervolgden wij ons pad, naar huis, ‘maar dan anders’. Tijd voor een van die ‘gekke’ Spring- en Dansrijmen uit het ‘Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen’-boek van Dr. J. van Vloten (tja, dat is míjn tic nou eenmaal. wg B.). Raar trouwens dat ‘gek’ in die tijd (van ontstaan) zo gewoon was… Of omgekeerd natuurlijk!
JAN SANDERSEE
We dansen een dansje al onder ons drieën,
Wie zal daar de vierde van zijn?
Dat zal zijn Rosemarijn,
Dat zal onze Mietje (Naatje, Kaatje, enz.) zijn.
Zij moet meê, zij moet meê,
Zij moet meê van de tris op de treê,
Dansen van Jan Sandersee;
En al is ze wat scheef, en al is ze wat krom,
Al evenwel is ze wellekom.
(Driemaal buigende) – Wellekom, Jan Sandersee!
naar boven
15 juni 2007
In plaats van kaarten
* Dat zie ik de laatste tijd nogal eens boven een overlijdensadvertentie staan: ‘In plaats van kaarten’. Dat kán zijn omdat ik tegenwoordig sowieso vaker naar doodsberichten kijk dan vroeger. Ja, als het levenseinde je nog nauwelijks aangaat omdat je jezelf daar nog veel te jong voor voelt, dan zie je die advertenties ‘natuurlijk’ over het hoofd. Maar als je leeftijd je ogen onherroepelijk richting familieberichten stuurt, onbewust op zoek naar het lot van generatiegenoten (en dus van jezelf), dan gaan je van lieverlede ook de uitzonderlijkheden opvallen. ‘In plaats van kaarten’ valt voor mij in die categorie.
* Dat komt natuurlijk omdat ik niet uit een warm land stam. Daar begraven ze hun doden liefst dezelfde dag nog, dat weet een kind: weinig tijd dus om al je familie, vrienden en bekenden per papieren post op de hoogte te brengen. Een algemene advertentie is dan een van de alternatieven. Zoals ook internet, e-mail en het mobieltje (sms-verkeer) tegenwoordig wel breed ingezet zullen worden. – Toch wel een heel groot verschil met de vroegere Nederlandse gewoonte om via ‘aansprekers’ (lees Maarten ’t Hart!) de dood bij familie en relaties te gaan ‘aanzeggen’.
* Toch worden ook in het huidige Nederland doden soms ‘per heden’ ter aarde besteld (wat een mooie uitdrukking eigenlijk). Tien tegen één dat de begrafenis dan plaatsvindt (of al plaatsgevonden heeft) op een Joodse begraafplaats. Want ook Joden begraven hun geliefden traditioneel per ommegaande. En dan is een advertentie ‘in plaats van kaarten’ kennelijk gebruik – zeker in de landelijke dagbladen (in een regioblad ben ik het nog nooit tegengekomen, dat móet wel aan mij liggen).
* Zo troffen wij zeer onlangs een ex-schoonzus van ons in de Volkskrant aan, gister gestorven en vandaag alreeds begraven voordat de advertentie-inkt opgedroogd was. Geheel en al begrijpelijk gezien haar Joodse achtergrond, en volgens de traditie ook, zo hoort dat daar, natuurlijk – maar tóch een beetje vreemde gewaarwording voor mensen die aan die traditie niet gewend zijn en er dan onverhoeds toch mee geconfronteerd worden. Maar de aandacht had ze wél, even, die ex-schoonzus van ons. God hebbe haar ziel, al betwijfel ik of dat in Joodse kringen een geliefde uitdrukking is, en ook van mij mag het best anders geformuleerd worden hoor, maar ja, rituelen en tradities he!
- En deze week dan dus Hanny Michaelis (1922-2007), ‘dichteres van een bescheiden oeuvre, bestaand uit broos en onsentimenteel werk’ (Arjan Peters in zijn In Memoriam in deVolkskrant van 13 juni jl.). Vóór de dag van de advertentie al ter aarde besteld op de Joodse Begraafplaats te Muiderberg. Maar gelukkig bevatte de overlijdensadvertentie een van de mooiste gedichten van Hanny Michaelis zelf. Ook al ken je haar en haar werk niet, dit gedicht zegt alles over haarzelf en over haar dichtkunst. Ook daarom was dit een uitzonderlijke overlijdensadvertentie, die ik niet graag had willen missen. Hoeden en petten af voor ‘De vogel / die tegen de wind in zingt, / wankelend op de valreep / van het licht.’
MET MIJN MOEDER DIE LAS
Met mijn moeder die las
en breide tegelijk
en mijn vader die zes uur
per dag piano speelde
heb ik jarenlang gepraat,
gelachen en ruzie gemaakt
totdat ze werden ingelijfd
bij de legendarische 6 miljoen.
Een getal, waarover na ruim
een halve eeuw nog steeds
wordt geredetwist.
Hun gezichten beginnen te vervagen.
De klank van hun stem is
al bijna ontkleurd. Straks
ben ik er ook niet meer. Dan
zal het zijn alsof wij drieën
nooit hebben bestaan.
naar boven
6 juni 2007
Onderhoud
- ‘Goedemiddag mevrouw P. van Installatiebedrijf P. en P. Ons badkamertoilet doet de laatste tijd zo raar. Vaak blijft ie maar doorlopen, hele nachten lang, vooral ’s nachts ja. En geluiden dat ie maakt, ploffen en reutelen, als een licht onweer zeg maar. Soms een heftige plof, en dan schokken de aanvoerleidingen nog minutenlang na. Kan iemand hem eens komen nakijken?’
- ‘Dat kunt u zelf doen, meneer B. Dan moet u ‘m het raam uit gooien.’
- ‘Pardon? O! Jaja! Natuurlijk. Leuke grap. Haha, leuk ja. Ik had hem niet meteen door. Het raam uit gooien, hahaha. En ‘m dan nakijken natuurlijk! Wat een grap!’
- ‘Alle gekheid op een stokje, meneer B. Schikt het u vanmiddag? Want ik geloof dat onze medewerker Vandaag nog wat ruimte over heeft.’
- ‘Vanmiddag is prima, dan ben ik natuurlijk thuis. Oja, en ik zoek nog een kleine goedkope stofzuiger, als extra ziet u.’
- ‘Als u tot morgen geduld hebt, dan boft u. We hadden namelijk een leuke aanbieding voor € 89,90, de Medea, maar die is inmiddels op. Hij stond hier nog in de etalage, hebt u ‘m niet gezien? - Maar nou hebben we nieuwe bijbesteld, en die zijn er morgen. Mag ik uw telefoonnummer, dan bel ik u even als ze er zijn. Kunt u er meteen een komen halen.’
- ‘Voortreffelijk, mevrouw P. En mag die stofzuiger dan op één rekening met het kapotte toilet?’
- ‘Maar vanzelfsprekend, meneer B. En doet u de groeten aan uw vrouw. Nog altijd volop aan de wandel? Want dat is toch jullie hobby, is het niet, altijd maar wandelen?’
- ‘Zeer zeker, mevrouw P. Morgen nog een reüniewandeling in het Brabantse. Oja, dat is waar ook - kan ik de stofzuiger dan overmorgen komen ophalen in plaats van morgen? Maar reserveert u er in elk geval een voor me, alstublieft. Ze lopen kennelijk zó hard!’
- ‘Dat is dan afgesproken, meneer B. Vandaag de wc en overmorgen de stofzuiger. Dat was alles?’ – Ja, dat was alles en zeer tevreden met dat alles fietste ik naar huis.
* …
- ‘Goedemiddag, Vandaag van de firma P. en P. U heeft een kapot toilet? Zullen we meteen even gaan kijken?’
- ‘O, ik hoor het al. En… ik zie het al. Ziet u wel.’
- ‘Ah, een kapot rubbertje.’
- ‘Nou doet u hem toch tekort, meneer. Dit is een hoogwaardig membraanafsluitelement. En om dat nou een rubbertje te noemen…’
- ‘Neemt u me niet kwalijk, meneer Vandaag. En bijna had ik nog ‘een kapot leertje’ gezegd. Maar dat was natuurlijk helemáál fout geweest.’
- ‘Leertjes worden allang niet meer gebruikt, meneer. Enfin, ik zet er meteen even een nieuw membraanafsluitelement in, en dan kunt u het kapotte element mét uitleg aan uw vrouw laten zien, want die zal ook wel benieuwd zijn hoe het nu allemaal afgelopen is. - En dan nu even doorspoelen, zo, en dan moet het vullen nu in één minuut tien seconden gebeurd zijn. – Nou, dat klopt dus. Dat was het. – Nog een goedemiddag, meneer B. En de groeten aan uw vrouw. En veel plezier met het wandelen. Ja, dat weet iedereen hier hoor. Dat u zo vaak wandelt. – Tot ziens maar weer.’
* Daarna natuurlijk alles in geuren en kleuren aan mevrouw B. doorgebriefd. Die had uiteindelijk nog maar één vraag: waarom het hoedje van het nieuwe rubbertje nu rood is terwijl het hoedje van het oude rubbertje blauw was… De man had nog zo gevraagd: ‘Bent u technisch?’ Maar hier had ik natuurlijk weer geen antwoord op.
* De volgende keer weer een gedicht. Ik zit nu al te denken aan Herman de Coninck bijvoorbeeld. En dat ik die de afgelopen anderhalf jaar zwaar verwaarloosd heb. Dat kan écht niet!
naar boven
30 mei 2007
Jan Voerman sr.
* Op maar liefst drie plaatsen tegelijk wordt ‘150 jaar Voerman’ gevierd/herdacht/beleefd/getoond. Jan Voerman sr. (1857-1941) was schilder van ‘IJssellandschappen met koeien en luchten’ par excellence, maar hij was en is minstens even bekend om zijn stillevens van gemberpotten met azalea’s en oost-indische kers.
* Eerlijk gezegd ken ik de schilder Voerman pas sinds het boek ‘Knielen op een bed violen’ van Jan Siebelink. Voor het omslag van dat boek gebruikte ontwerpster Brigitte Slangen - ongetwijfeld op aanraden van kenner Siebelink zelf - de ‘Witte azalea’s in de pot Augustine’ van Jan Voerman (St. Jan Voerman, Hattem). En ik was meteen verkocht toen ik dat zag: zó’n prachtomslag, alleen daarom al moest dat wel een prachtboek zijn. En ja hoor, twee keer prijs: prachtboek, prachtomslagbeeld. Ik zie het nog bij prachtboekhandel Praamstra in Deventer op een prachtlezenaar in de etalage staan. Echte kunst. In het kwadraat. Práchtkwadraat!
* De echte Voerman-liefhebber, maar zeker ook de aankomend liefhebber, gaat natuurlijk voor de luchten en de koeien en de IJssel en het landschap. Naar Hattem (www.voermanmuseumhattem.nl), naar Kampen voor de ‘portretten’ (www.stedelijkemuseakampen.nl), maar vooral toch naar Zwolle (www.museumdefundatie.nl), mét link naar het desbetreffende item in het NOS-journaal) waar Voerman-verzamelaar Henk van Ulsen een schitterende tentoonstelling, wat zeg ik: een práchttentoonstelling, ingericht heeft. Van Ulsen zelf hierover: ‘Een Voerman staat voor mij gelijk aan een paar uur aan de IJssel zijn. Ik identificeer me met de stilte en de eenzaamheid in de natuur.’
* Zo gezegd zo gedaan: per eerste gelegenheid spoorden wij vanochtend naar Zwolle, namen daar streekbus 90 naar Hattem-Centrum, en welgeteld 13 minuten later al waren we midden in Hattem, aan de IJssel, en in een rijk verleden. Jan Voerman sr. kwam er vandaan, ging er even weg, kwam er terug en wilde er nooit meer vandaan: stel je voor dat hij ook maar één van die prachtluchten daar zou missen! Onbestaanbaar!

* Vanuit Hattem namen wij het pontje over de IJssel, en liepen vervolgens naar Zwolle. Binnen vijf kwartier stonden wij in het centrum, aan de Blijmarkt, bij Museum de Fundatie – terrassen en grand-cafés binnen handbereik. Wij gingen naar binnen, kochten een kaartje, borgen onze rugzakjes in een lockertje, en snelden meteen naar de eerste verdieping: twee grote zalen, inclusief buitenmuren, vol Voerman, vol IJssel, vol luchten, vol koeien, vol gemberpotten, vol azalea’s (ín die gemberpotten), en hier en daar een portret. En dan vergeet ik nog die vitrines vol schetsen: van - u raadt het al: koeien, van luchten, van potten, van azalea’s. – O zeker, de rest van het museum is mooi, prachtig, aangenaam, interessant, verrassend, een bezoek meer dan waard. Maar dat moet dan een andere keer maar. (Zeker.)
* Tip voor de mensen die willen doen als wij: loop van Zwolle naar Hattem (via het pontje natuurlijk), en ervaar éérst de nadering van Hattem en de IJssel, de koeien, de luchten en het landschap wijd en zijd. En ga dan pas naar het Voerman-museum. Eet daarna een heerlijk hapje in herberg ‘De Zwarte Truffel’ (en lees in het lunchboekje waar die naam vandaan komt, leuk verhaal!), neem bus 90 naar Zwolle, steek vanaf het station even door naar De Blijmarkt, en geniet tenslotte van het mooiste wat deze dag je te bieden heeft: Jan Voerman sr. in Museum De Fundatie (zie boven). – En ga volkomen tevreden met de dag en het leven naar huis. Je hoeft niets meer.
naar boven
27 mei 2007
Grass
* Toen ik onlangs bij boekhandel H&N binnenstapte, naar de presentatietafel liep, het bovenste nog ingesealde exemplaar van ‘De rokken van de ui’ pakte, en ermee naar de kassa liep bleek ik de eerste koper van deze titel te zijn. Terwijl de stapel daar toch al enkele weken op die prachtplaats lag. Boekhandelaar H. had er naar eigen zeggen (want hij begon er zelf over) geen verklaring voor. Misschien toch de negatieve publiciteit rond het kortstondige lidmaatschap van de Waffen-ss van adolescent Grass? Maar waarom had de Duitse versie enkele maanden eerder dan wél goed gelopen? Enfin, ik hoop dat met mijn aankoop het hek inmiddels van de dam is.
* ‘De rokken van de ui’ (Meulenhoff, Amsterdam 2007) is een autobiografische roman waarin de jonge Günter Grass en het Duitsland van de jaren dertig en veertig centraal staan. Duitsland en de jaren dertig en veertig, nou dan weet je het wel. Hoe is het allemaal zo gekomen? Hoe heeft het zover kunnen komen? Met Het Volk. En met Het Individu. En dus ook met de jonge Günter – de latere winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur kijkt, vaak met verbazing, verbijstering en onvermogen, terug op de onnozele jongeling uit het onnozele milieu in die verre van onnozele tijd. In ‘De rokken van de ui’ (zo schrijft Antoine Verbij in het begeleidende boekje ‘Bij de rokken van de ui – De affaire-Grass’) gaat Grass terug naar het tijdstip waarop hij door de Waffen-ss werd ingelijfd. Het herinneren vergelijkt hij met het pellen van een ui. Bij de Waffen-ss stokt zijn herinnering. ‘In de rok van de ui staat niets gekrast waaraan een signaal voor schrik of zelfs ontzetting af te lezen zou zijn,’ schrijft hij. Integendeel. Zijn toetreding, moet hij bekennen, zag hij als iets om trots op te zijn. De Waffen-ss was immers een elite-eenheid, die voor extra moeilijke operaties werd ingezet. Bovendien had ze ‘iets Europees’, er deden vrijwilligers uit Frankrijk, Vlaanderen, Nederland, Denemarken en Zweden in mee. ‘En toch heb ik tientallen jaren lang geweigerd toe te geven dat ik iets met het woord en de dubbele letter te maken heb. Wat ik met de domme trots van mijn jonge jaren had geaccepteerd, wilde ik na de oorlog uit groeiende schaamte achteraf voor mezelf verzwijgen. Maar de last bleef, en niemand kon hem verlichten.’
* In genoemd boekje van Verbij staat ook het volledige interview van Grass met de Frankfurther Algemeine Zeitung, het interview (met de ‘bekentenis’ van Grass) dat tot een wereldwijde rel leidde. En het waren niet de minsten die met terugwerkende kracht Grass zijn morele autoriteit betwistten. Toch kan ik dit persoonlijk niet billijken. In zijn roman maakt Grass juist absoluut geloofwaardig hoe die processen zich toentertijd voltrokken, hoe het vanzelfsprekend was dat de dingen liepen zoals ze liepen – althans voor de onnozele jongeling uit het onnozele milieu. En dus kan ik me volledig vinden in de kritiek van De Groene Amsterdammer waarin o.a. staat: ‘Het is om meer redenen de moeite waard om dit boek te lezen. Ten eerste is Grass een schrijver die meesterlijk met taal kan omgaan. Ten tweede laat Grass zien dat hij ook maar een gewone sterveling is, die net als zoveel jonge Duitsers die opgroeiden in een nazi-milieu een meeloper werd, niets wilde weten van de gruwelen om hem heen en zweeg.’
* ‘De rokken van de ui’ is een grotelijks invoelbaar, niettemin opnieuw verbijsterend, boek dat net zo goed ‘Het menselijk tekort’ had kunnen heten – ware het niet dat die titel al tientallen jaren bezet is door dat andere prachtboek, van André Malraux. In ‘De rokken van de ui’ lees je alles terug wat tot het literaire meesterwerk ‘Die Blechtrommel’ geleid heeft. Het zijn als het ware twee benaderingen van dezelfde werkelijkheid, in twee verschillende kunstvormen (‘kunstuitingen’ is misschien beter) die geheel op zichzelf staan en toch samen een geheel vormen.
* In de vertaling van Jan Gielkens kan ik me soms maar slecht vinden, niet omdat ik zijn Duits zou durven betwisten, maar omdat ik zijn Nederlands in dit boek op cruciale plaatsen gewoonweg niet Nederlands genoeg vindt. En dat betreft dan met name de syntaxis, de verbindingen en verbindbaarheden van woorden en woordgroepen: vaak zijn de barokke Duitse constructies me niet te barok, maar juist te Duits gebleven om Nederlands van wereldklasse op te leveren. Jammer - zoals het ook jammer is dat Gielkens de oorspronkelijke vertaling van ‘Die Blechtrommel’ als ‘De blikken trommel’ in ‘De blikken trom’ heeft menen te moeten ‘verbeteren’. Maar gelukkig houdt Uitgeverij Meulenhoff het in zijn lijst ‘Boeken van Günter Grass bij Meulenhoff’ gewoon op ‘De blikken trommel. Roman’.
Günter Grass
Uitgever: Meulenhoff
Prijs: €29,90
ISBN 978 90 290 7888 7
naar boven
22 mei 2007
Kolere
* Zondagmiddag kreeg ik het weer: de kolere, omdat er weer eens zo’n overhetpaardgetilde en halfmiskende interviewster aan het werk was die meende dat de kijkers toch vooral háár interessant moesten vinden. Dit keer was het Hadassa de Boer (programma NPS Arena), maar het had net zo goed een van die tig andere beterweters (of beterweetsters) kunnen zijn. Ze stelt een door de redactie met zorg bedachte en geformuleerde vraag (en neemt daar uitgebreid de tijd voor), wappert eens met haar manen, kijkt intussen zo koket mogelijk in de camera (en dus wég van de geïnterviewde), en geeft aan het slot met tegenzin en op licht verwijtende toon het woord aan haar gast. In dit geval is dat een deskundige, iemand die de vraag serieus neemt, en dus serieus aan een antwoord begint. Het gaat over de vorig jaar overleden Hongaarse componist Gyorgy Ligeti, toch een vrij specialistisch onderwerp dat concentratie, rust en ‘ruimte’ vergt, zou je zeggen. Daar vraag je een deskundige voor, want als je zelf al Ligeti-deskundige bent, dan heb je natuurlijk geen aparte deskundige nodig. Toch?!
* Maar na drie woorden van de geïnterviewde vindt H. al dat het allemaal wat te lang gaat duren, en dus onderbreekt ze de gast, kijkt daarbij opnieuw koket in de camera, wappert weer met haar manen, en suggereert het vervolgens veel beter te weten dan de genodigde. Haar Google-gestuurde interventie duurt eeuwen, en mondt opnieuw uit in een door de redactie met zorg bedachte en geformuleerde vraag die ze tenslotte opnieuw op halfverwijtende toon aan de gast overdraagt. Deze denkt nog steeds dat het om een serieus gesprek gaat, is vast van plan om zich nu niet meteen de kaas van het brood te laten eten, en begint zijn antwoord in gehaast tempo te formuleren.
* Hohohoho, meneertje, zo snel kunnen mijn kijkertjes dat niet volgen hoor. Bovendien… - en daar is H. alweer aan het woord, met zelfopgezochte beuzelarijtjes en ginnegapperige beterwetertjes. (Misschien is het allemaal onzin wat ik hier beweer, maar dát is nou eenmaal wat ík ervaar.) Als kijker ben je nu niet alleen de draad kwijt, je ergert je in toenemende mate aan die stoorzender-interviewer, en begint nu ook mee te praten tegen een scherm dat tv-kijkers vooral een andere zender op stuurt, en huisgenoten tot onderlinge twist verleidt - over de interviewer natuurlijk en over wie het nou het beste weet, en wat ze wel (niet) denkt, en dat je zo je gasten toch niet behandelt - en dus niet over de componist Ligeti, waar het toch allemaal om begonnen was (of is dat een vergissing van de kijker?).
* Na een kwartiertje wanhopig doorbijten gooi ik het bijltje erbij neer. Mevrouw H. kan de pot op, jammer voor de gast, jammer voor Ligeti, jammer voor een programma als NPS Arena. Een goeie interviewer is namens mij nieuwsgierig naar wat de geïnterviewde over het aangesneden onderwerp te melden heeft. Zo’n interviewer moet natuurlijk altijd kritisch zijn, beleefd maar niet verwijtend, scherp en gesteund door echte bronnen, duidelijk maar nooit opdringerig, stimulerend maar nooit saai, trefzeker, maar hoezo beterweterig? Ga dan toch lekker zelf een potje zitten componeren, filosoferen, in de politiek of in de thuiszorg werken. De particuliere mening van de interviewer interesseert me geen fluit, en haar kokette of bête gekijk en gelach reserveert ze maar voor de spiegel thuis.
* Maar er zijn natuurlijk ook goeie interviewers en sters. Maar waarom zie (en hoor) ik die steeds minder? Te oud zeker (Hanneke Groenteman), te bezig met een populariserend programma (Paul Witteman), ‘verbannen’ naar de radio (Rob Trip) of gewoonweg te goed voor vaak op de tv (Kris Kijne)?
* Strafwerk dus voor HdB, hoe je de juiste vragen stelt en met verlangen wacht op het verrassende antwoord: lees onderstaand ‘Vers per 7 Juni ‘51’ van Jan Hanlo (Verzamelde gedichten, Amsterdam 1958) en bedenk zelf tien aanvullende vragen zónder antwoorden.
VERS PER 7 JUNI ‘51
Bedoel je Josje met de kleine ogen?
Nee, met de grote.
Bedoel je Josje met de schelle stem?
Nee, met de mooie.
Bedoel je Josje met het haar dat naar niets ruikt?
Nee, met dat fijn ruikt.
Bedoel je Josje aan wie je nooit denkt?
Nee, aan wie ik altijd denk.
Bedoel je Josje die nooit graag Engelse woorden wil opschrijven?
Nee, die dat juist wel graag doet.
Maar die dan met schrijfletters schrijft?
Nee, die met grote drukletters schrijft.
Maar die de woorden van een zin altijd van elkaar schrijft?
Nee, die veel woorden van een zin aan elkaar schrijft.
Bedoel je Josje die voor een scheepje spaart?
Nee, die voor een zaklantaarn spaart.
Bedoel je Josje die niets om je geeft?
Nee, ik bedoel Josje die graag bij mij is.
naar boven
13 mei 2007
Be prepared
* Gaandeweg de middelbare school werd ik onzekerder over mijn eigen studiecapaciteiten. Dat uitte zich bijvoorbeeld in het huiswerkgedrag. Op het laatst bereidde ik alle lessen twee keer voor, en kon ik pas naar bed als alle vakken voor de volgende dag twee kruisjes hadden in mijn agenda. En dan nóg was ik het meest gecharmeerd van docent Latijn drs. J.I., die de hele klas aan het begin van zijn les 5 minuten gaf om het huiswerk nog even na te kijken. Een briljante methode – vooral op dagen dat je wel 7 lessen te gaan had. Dan kon je zo’n opfrissertje wel gebruiken, je werd er zekerder van, en dus rustiger. Ik snap nog steeds niet dat die methode toen niet algemeen op onze school ingevoerd werd. Maar ja, de jaren vijftig he, allemaal docent-koninkjes in hun eigen rijkjes.
* Dat ietwat onzekere, dat zekere, dat is bij me gebleven, al die jaren dat ik buitenshuis te werken had. Projectgroepvergadering voorzitten op maandag? Voorbereiden op zondagavond dus! Sollicitanten ontvangen voor een eerste gesprek? Kon alleen als ik alle brieven danig bestudeerd en van vragen voorzien had. En in feite gold het allemaal voor alle soorten werkzaamheden. - En dat werd er niet minder op toen ik eind jaren zeventig een cursus tijdschriftenkunde volgde met docenten als Joop van Tijn (die van Vrij Nederland ja). ’80 procent van een interview, dames en heren, zit in de voorbereiding. Anders wordt het niks. Deze les ga ik u vertellen hoe ik dat doe, dat voorbereiden,’ was zijn introductie ab ovo. Een docent-voor-één-les naar m’n hart, ook al dronk ie wel drie wiskies in dat ene uur – maar ja, vrijdagmiddag he! En voorbereiden, góed voorbereiden, is me sindsdien vanzelfsprekender dan ooit. Plus dat ik er op tijd aan begin. Maar ja, dat is het begin van alle wijsheid, immers.
* Daarom kan ik nu ook rustig aan m’n blogje werken, terwijl ik toch midden in de voorbereidingen voor een groot feest zit. Afgelopen dinsdag heb ik een activiteitenlijst gemaakt die de hele periode van 9 tot en met 19 mei omvat (en met een uitgebreid draaiboek van uur en tijd voor de feestdag zelf). - Voor de zondag 13 mei is daarbij ook ruimte ingepland voor rust en ontspanning: aan een blogje werken bijvoorbeeld, boekje lezen, en… onverwachte telefoontjes opvangen, planning aanpassen, de rust bewaren en afspraken verzetten.
* Want tante M. is overleden, dat lieve mens dat weliswaar 86 is, ziek en der dagen zat, maar die ons toch zeer aan het hart gebakken zit. - Ik schrijf nu wel ‘is’ en ’zit’, maar ik moet nu over haar in de verleden tijd gaan schrijven – een bittere pil: ‘Tante M. was een lief mens, en zat ons aan het hart gebakken.’ Soms is het werkelijk een hard gelag, die verleden tijd. We toosten op haar verlossing, en troosten onszelf met de beste herinneringen aan haar. Zo is ze niet iemand die ‘was’, maar iemand die ‘is’ – in elk geval in onze gedachten.
* Tot troost voor onszelf, maar zeker ook voor de allernaaste familie van tante M., citeer ik hier en nu het gedicht ‘Weggaan’ van Rutger Kopland. Het staat in de bundel ‘Het orgeltje van yesterday’, Amsterdam 1968. Dat is ook een soort ‘was’ en ‘is’, een soort weggaan en tóch blijven…
WEGGAAN
Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.
Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.
naar boven
8 mei 2007
Ontmoeting
* Zaterdagmorgen half tien, heerlijk weer, zoete zon, een windloos windje en 23 graden, ik fiets naar de stad voor magere marktkaas en een boekhandelscadeautje, ik voel me als het weer, tot mijmeren geneigd, en bereid om Erwin Krol alles te vergeven. En hoor op de kruising bij slijter en stripwinkel plotseling mijn naam door de lege straten schallen: ‘Hee(r) Balthasar!’ Ik schrik op, knijp in de rem, kijk om, en herken oud-collega K. - ‘Hee(r) K.!’ roep ik minstens even hard terug, en aarzel van m’n fiets af. (Over Hee of Heer ben ik ook nu nog onzeker. Hee is wat grof, Heer te frivool. Maar wat ríep ie nou?)
* Merkwaardig dat zijn naam me na acht jaar zomaar te binnen schiet. En zo´n goed of frequent contact had ik toch ook niet met K.? - ‘Jij hier?’ hebben we kennelijk allebei in gedachten. ‘In Z., of all places?’ Ja, omdat het hier zo heerlijk saai is, en vooral zo moet blijven. Weg met de hectiek van U. en de drukte van H. ‘Zodoende, dus.’ – Nou, dat ging vlot, deze start. Ik kan het nog.
* Vroeger vond ik K. de wandelende ironie zelf, en ook van rustig aan dan breekt het lijntje niet. (‘Kijk, als ik drie manuscripten op mijn bureau heb liggen, dan hebben we dus file.’) Hij begon ooit noodgedwongen voor zichzelf, en had daar net als ik een hard hoofd in. ‘Nou, dat gaat wel goed hoor. Het is heerlijk om zelfstandig te zijn. Als het mooi weer is fiets ik lekker via het pontje naar G. En de volgende dag naar E., als de condities hetzelfde zijn. En op de derde mooie dag denk ik, ho, jammer, maar ik geloof dat ik vandaag toch eens aan het werk moet. Dat is mijn achilleshiel, ja. En soms ga ik dan die derde dag toch op pad, naar D. bijvoorbeeld, en dat kan dan lastig worden. Maar het komt altijd weer goed, en ik kan er van leven hoor. Kijk, tóen wist ik dat natuurlijk allemaal niet, maar ik had veel eerder voor mezelf moeten beginnen. Dat had ons allemaal een hoop gedoe kunnen besparen. Tja, such is life in China, he.’ – Mooie monoloog wel, daar was ie altijd al sterk in, K.
* ‘En jij dan? Waar woon je? En hoe gaat het met je kinderen? Wat doe je zoal? Waarom Z.? Zie je nog wel eens iemand? En je gezondheid? Zou het niet leuk zijn om binnenkort samen eens een kopje koffie te drinken?’ – Ik mompel wat over drukdrukdruk, grote tuin, blogjeswerk (‘Dus als ik balthasarsblog intik op de Google dan kom jij tevoorschijn?’), vaak op reis, prachtige wandelomgeving-heerlijke-hobby, maar zullen we nu niet meteen van de gelegenheid gebruik maken om…’ – ‘Nou, dat komt me slecht uit Balthasar. Het werk he. Ik moet nu echt even naar de kopieerwinkel en post versturen. Maar hier heb je m’n kaartje. Bel me ’s op of mail me…’
* Hoe zal dit verder gaan? K. is namelijk journalist, dus die gaat beslist op Google zoeken naar balthasarblog, leest dan dit stukje van 8 mei, en gaat mij vervolgens ongetwijfeld zíjn versie van de ontmoeting mailen. Ik mail hem terug, we maken een afspraak, en… zullen het misschien hebben over leven in meervoud, over Prof. Dr. J.H. van den Berg, en over meta-effecten in zijn algemeenheid. Maar waarschijnlijk blijven we dichter bij huis, bij ex-collega’s JL en HvV, bij biospullen, de fiets en de Hanze. Maar met K. weet je het nooit zeker, verrassende jongen tenslotte. – Zo weet ik bijvoorbeeld niet meer of hij een echte romanticus was/is. Zo ja, dan zal hij de negentiende-eeuwse dichter Piet Paaltjens ongetwijfeld kunnen waarderen, en al helemaal ‘Immortellen XXV’, uit de verzamelbundel ‘Snikken en Grimlachjes’ (1867). Hij kán het kennen want wij hebben er nog een gezamenlijke herinnering aan, ook al weet hij dat niet meer.
XXV - HOOR IK OP SEMPRE
Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turksche trom,
Dan moet ik zo bitter weenen;
En – ik weet zelf niet waarom.
Vraagt een der werkende leden:
“Hoe kan een Turksche trom
Of een waldhoorn u zoo roeren?”
Dan weet ik zelf niet waarom.
Is ’t wijl in beetre dagen
Een vriend de Turksche trom
Niet onverdienstelijk bespeelde? -
Ach, ik weet zelf niet waarom.
naar boven
1 mei 2007
Dag van de arbeid
* Af en toe is het goed om even stil te staan bij wat je allemaal doet op een dag dat je niets hoeft te doen. 1 mei is zo’n dag: dag van de arbeid. Het is de bedoeling dat je dan vrij hebt. Vanzelfsprekend dus vroeg opgestaan, van alles ondernomen, en nu logischerwijs een beetje bekaf nu het zes uur is. Ik drink een arbeideristisch biertje (2% alcohol en kelderfris, maar helaas niet koud genoeg), en denk aan mijn vader (over wie ik ooit dichtte: ‘zijn ene vrije dag per jaar is goed besteed’) en aan mijn oud-collega E.M., die als baron en rechtgeaarde VVD’er 1 mei maar malligheid vond. Het is matig warm weer, een beetje winderig, en van stofdroogte zijn alle automobielen (en de rest van de wereld) mat en mottig. 1 mei 2007, zomaar een dag. Zomaar een dag?
* Zo zaten wij bij voorbeeld om half elf al in de bioscoop te D. om ‘Das Leben der Anderen’ te zien. We waren met de fiets, dus de eerste 15 km beweging hadden we er al vroeg opzitten. De film is een ‘oscarwinnende bioscoophit’, en heeft me – alweer, alle écht goede films blijken iets verpletterends te hebben – tot tranen toe geroerd. ‘Das Leben der Anderen’ is zo’n beetje de anti-komische achterkant van ‘Goodbye Lenin!’, legt feilloos (maar hoe kan men dat zeker weten?) de strijdmethodes van de Oost-Duitse Stasi bloot, en demonstreert zo’n beetje alle ‘toevallige’ sterktes en zwaktes van de mens, ‘de goede mens’. Een universeel thema in ‘de kunst’, jazeker, maar als altijd komt het natuurlijk op de uitwerking aan. En die is hier genadeloos én genadiglijk goed, in vorm en in inhoud, en in beide tegelijk en gelijk. Veel informatie over de film is te vinden in The Internet Movie Database – maar men kan natuurlijk veel beter de film zelf gaan zien. (En ik kan het weten.)
* De twintig toeristische kilometers naar huis reed ik in korte broek en in het volle besef van mijn nieuwe mosgroene Palladiums. Palladiums zijn supersimpele canvasschoenen met superdikke rubberen profielzolen. De leest is aan de voorvoetkant wat smalletjes, en omdat ik juist wat ruimere schoenen zocht deed ik iets wat ik nog nooit gedaan heb: ik kocht een paar Palladiums (mijn eerste!) die me twee maten te groot horen te zijn, maar het niet zijn! En het is geweldig! Nergens last van stiknaden of aanhechtingsknellingen, alle tenen kunnen vrijuit bewegen en hebben dan nóg ruimte over, en mijn podologische inlegzolen passen alsof ze ervoor geschapen zijn. (En met die ingroeiende grote-teennagels zal het nu ook wel snel gedaan zijn!) - Okee, zo nu en dan nestelt zich een fikse kiezelsteen in de grove profielen, maar alla, dat kan ik hebben. Echte werkmansschoenen kortom, maar dan zonder dat boerse staal of stevigheid. Nou ja, alle stevigheid zit in de zolen, en die geven alleen maar mee. ‘Met Palladiums loopt u zo veerkrachtig als een historische 1-meivierder.’ (Deze slogan wordt de firma gratis aangeboden, en doet het vast geweldig op een heel groot spandoek aan een Utrechtse gracht.)
* ‘De fabel van de hoeden en de petten’ maakte deel uit van de theaterproductie ‘Ballade voor grote en kleine poppen’ van het Belgische ‘kollektief internationale nieuwe scene’ – een sterk antikapitalistische theaterwerkgroep die vooral in de jaren zeventig furore maakte in België en Nederland. In de fabel wordt verhaald hoe de wereld in klassen werd verdeeld, een klasse van slaven en een klasse van geld. Maar de werkende klasse verzet zich… - Oorspronkelijke ideeën, teksten en ensceneringen zijn van de hand van Dario Fo, de Italiaanse schrijver die midden jaren negentig de nobelprijs voor literatuur in de wacht sleepte. Van die fabel citeer ik hier de intro die ‘De grote wedloop’ heet.
DE GROTE WEDLOOP
Vrienden luister stil laat mij u vertellen
Deze Historie, dit simpel verhaal
De grote wedloop van hoeden en petten
De hoeden en petten van ons allemaal
In vroegere tijden heel lang geleden
Werd deze fabel zo dikwijls verteld
Hoe onze wereld zich in klassen verdeelde
Een klasse van slaven en een klasse van geld
Al lijkt het eenvoudig al vindt ge ’t plezant
Denkt erover na in volle verstand
Hoe God heel de wereld zo goed wou verdelen
Zonder leeglopers in die voor baas willen spelen
Zo schiep hij de mensen en sprak daarbij
‘k Maak ze allen gelijk, gelijk aan mij
Op zovele plaatsen in vroegere tijd
Vertelde men ’s avonds dees moraliteit
Ik verhaal ze naar waarheid, feit voor feit
naar boven
24 april 2007
Lopen in Limburg
* Toen ik het hotelletje in Gulpen telefonisch reserveerde kon ik de receptioniste nauwelijks verstaan. Raar maar waar: ik was niet écht verdacht op een vet dialect sprekende telefoonstem, terwijl het ‘AnnAs’ (NS) van minister Camiel Eurlings me toch nog vers in het geheugen lag, en een gewaarschuwd man van me had moeten maken. Geen wonder dus dat de bevestigingsbrief me ‘beleefd’ (en nog eens ‘beleefd’) van alles meldde waar ík in ieder geval niks van af wist. Maar gelukkig is daar de e-mail, zodat het allemaal toch nog goed gekomen is.
* Toen we er eenmaal waren, in Zuid-Limburg bedoel ik, viel het allemaal reuze mee met dat dialect. Ik heb alles verstaan (denk ik), en alles gekregen waar ik om vroeg. Soms zelfs iets meer, zoals de penetrante geuren die onze hotelkamer praktisch rechtstreeks aangevoerd kreeg uit de keuken - waar overigens voortreffelijk gekookt werd. En de meisjes van de heerlijke (en dat is geen millimeter overdreven) broodjeszaak aan de markt wisten me in uitstekend ‘Hollands’ duidelijk te maken hoe de etiketten op hun voortreffelijke streekproducten (‘Stekbaere Sjèm’) uitgesproken moeten worden. Dit aanbevelenswaardige adresje kan de lezer desnoods rechtstreeks van mij ‘bekomen’. Méér reclame kan ik toch niet maken, dames?
* Die broodjes meenden wij elke morgen nodig te hebben tijdens onze wandelingen door berg en dal. Net als de appel, het flesje water, de routebeschrijving en de wandelstok. Maar… overal waren er uitspanningen genoeg (al waren die op het Drielandenpunt in Vaals des ochtends om half elf nog gesloten!), en de routes waren zonder uitzondering uitstekend be-paald. Alleen die uitgesleten, grof besteende hellingweggetjes, die waren lastig! Voor een vlakkelander moeilijk te beklimmen en te bedalen. Ik kwam haast stok en ogen tekort om niet mis te stappen, en m’n zware wandelschoenen bleken hun antizwik-gewicht in goud waard. ‘Daar werden prestaties verricht en reputaties getest!’ – De Wereld-Jamboree van Negentien Drie Zeven was er niks tegen.
* Eén van de Limburgse wandelpadfenomenen verdient aparte vermelding: de stegelkes. De halfronde draaihekjes, de tourniquetjes in de passage van weilanden en weilanden. Ze zijn zonder uitzondering in bedrijf (!), van grofglimmend ijzer, ze piepen altijd hartverscheurend en ze zijn uitsluitend geschikt voor slanke mensen. Net als de houten personensluisjes bij toegang en uitgang van de omheinde natuurgebieden. Daar word je vanzelf een zwemmer van die zijn bagage boven z’n hoofd droog probeert te houden. Maar wat mauw ik: het systeem wérkt! Ook al kon ik dagenlang de gedachte niet uit m’n kop krijgen dat die stegelkes wel erg sterk op middeleeuwse kuisheidsgordels lijken…
* Over de landschappen wijd en zijd natuurlijk niets dan superlatieven. Met in dit vroege jaargetijde de donkergroene hellingen naast felgeel glooiende koolzaadvelden en zwartgeploegde kluitenakkers. Vergezichten om lyrisch van te worden, een muziekfestival van kleuren – zeker nu er elke dag een aangenaam zonnetje was, vroeg-geurende meidoorn en bloeiende seringen in overvloed. Tja, hoe kan het anders, dat brengt mij onvermijdelijk bij de Limburgse dichter Pierre Kemp (1886-1967). Die reisde elke dag heen en weer tussen zijn woonplaats Maastricht en het dorpje Eygelshoven waar hij administratief ambtenaar was op de mijn ‘Laura’. De duur van zo’n treinreisje was precies lang genoeg om een klein vers te schrijven. Dat werden dus talloze bloknootjes vol blaadjes gedichten. Een groot kind, dat was hij, en zo keek hij ook naar de wereld om hem heen. Maar intussen wel tientallen bundels gedichten! En vaak over kleuren en bloemen en… soms met humor, soms met ironie, en altijd ‘met de ogen van het verwonderde kind’ (H. Lodewick). Het gedicht ‘Rose madder’ komt uit de bundel ‘Engelse verfdoos’ (1956). - [madder (Eng.) = meekrap = verfpoeder]
ROSE MADDER
Eens komt het eind aan al mijn mooie kleuren,
als nu, en dan de doodsdienst zonder fantasie.
Misschien dat rose en gele bloemen geuren
rond het kadaver van Pierre l’Englouti.
Geen witte, geen in lila, geen in blauw
en zeker geen met geuren van de vrouw.
Kom, kom, ik leef nu nog en ik wil
voor ’t laatst eens kijken door mijn rose bril,
als toen ik mijn eerste boompje tekende
met meer dan rose appels naast een beek en de
kimmen van uit mijn kleine bed
hoorde in muzieken van oranje en violet.
Mijn tijd is om! Als alle wijzen en dwazen
moet ik gaan. Van heel het mensenspel
neem ik afscheid door mijn bril met rose glazen
en wuif ik de Grote Verfdoos Aarde en Zon voorgoed:
‘Vaarwel!’
naar boven
14 april 2007
Enen en nullen oftewel Grijs is beautyful
* Daar schipper ik wel vaker tussen als ik gedragingen of uitspraken van mensen om me heen (maar toch voornamelijk mannen) bekijk en beoordeel: gelukkig dat ik niet zo ben als hij, versus: maar vindt ‘men’ het eigenlijk niet ideaal om zo te zijn? Het is het onnozele jongelingsgevoel, het zwart/wit-denken van enen en nullen zonder ‘grijs’-categorieën. Je bent goed of niet goed, je hebt een tien op je rapport of niet, je hebt de juiste politieke voorkeur of niet, je houdt rekening met het milieu of niet, je gaat uit zuipen of niet, je houdt van Voskuil of niet, je… Maar zo simpel ligt dat niet, bijna nooit. Ben je geen goede vegetariër als je wel eens vlees eet of een kuipje melk in je koffie doet? O, koffie kan niet? Maar als ík nou vind van wel? En we willen toch vrienden blijven? En hoezo Wouter Bos ‘grijs’ omdat ie geen harde socialist à la Drees is? Dachten mensen maar meer in grijzen. Of in ieder geval eens buiten hun enge poortje.
* Voorbeeld 1: buurman A vernieuwt op de avond van eerste paasdag met grof geweld van hamerslag en klinkende keien z’n oprit die hij eerst met z’n grote autobak kapot gereden heeft. Asociaal gedrag of een man waar je nog eens wat aan hebt?
* Voorbeeld 2, een dubbelgeval: het loopt tegen tienen in de na-avond. Het kabaal van buurman B – die al urenlang een aanhangwagen vol grote openhaardhoutblokken met donderend geweld in zijn metalen kruiwagen kiepert en wegkruit - wedijvert met het grote uitlaatmoment, met extreem geblaf en onderlinge hondentwist. Gelukkig heb ik geen openhaard, en – gelukkiger – geen hond. (En in dit geval hoeft u mij echt niet van jaloezie te verdenken: ik ben gelukkig zonder hond.)
* Voorbeeld 3: het Heineken-schort voor, de barbecue op volle kracht, legt hij de lappen spek, de saucijsjes, de hamburgers, de bieflappen, de koteletten en de ballen op het rooster te walmen. ‘Waarom doen jullie niet gezellig mee met de straatbarbecue? Of hou je niet van de accordeons van de Veldzichttrekkers?’ Jazeker wel hou ik van accordeonmuziek, tenminste, van sómmige soorten…
* Voorbeeld 4: de mannen van het oranjecomité. Ik heb zelf niks met die rare oubollige voorjaarsfeesten, maar als de brochure rondgebracht wordt geef ik grif een duit in het zakje.
* Voorbeeld 5: de literaire wandeling te Z. Ik moet er niks van hebben, van dat gezemel over secundaire schrijverskwestietjes: het werk zelf en niets dan het werk! Maar goedgeschreven berichten uit het ‘wereldje’, daar lust ik wel pap van.
* Voorbeeld 6: de tien-euro-vliegreis naar Londen. Dat is iets waar ik nou een ‘s mordicus tegen ben. Onbeschrijflijk duur zouden vliegtickets moeten zijn, áls er al gevlogen mag worden! En achttienjarigen allemaal hun eigen autootje? Alsof er niks met de opwarming van de aarde, het milieu en het ruimtebeslag aan de hand is. Hoe neem je een beetje eigen verantwoordelijkheid? In dit soort kwesties is het veel moeilijker om in grijzen te denken hoor.
* Voorbeeld 7: eenmaal per jaar op avontuur met de caravan in de bergen. Ik geloof dat het mijn ‘ene’ broer járen van zijn leven gekost heeft. Maar ja, een caravan he.
* Voorbeelden 8, 9 en 10 (en talloos veel miljoenen) liggen voor het oprapen, ga uw gang. En spaar me vooral niet.
* En voor wie het zoeken moe is, hier nog wat ‘mogelijkheden’ - aangereikt door de Poolse dichteres Wislawa Szimborska. Het gedicht komt uit de bundel ‘De mensen op de brug’ (1986).
MOGELIJKHEDEN
Ik ga liever naar de bioscoop.
Heb liever katten.
Zie liever eiken aan de Warta.
Lees liever Dickens dan Dostojevski
Zie mezelf liever van mensen;
dan van mensheid houden.
Houd liever naald en draad paraat.
Zie liever groen.
Zeg liever niet
dat het verstand de schuld is van alles.
Zie liever uitzonderingen.
Ga liever vroeger van huis.
Praat liever over iets anders met de dokter.
Zie liever oude illustraties met van die streepjes.
Heb liever de lachwekkendheid van gedichten schrijven
dan die van geen gedichten schrijven.
Heb in de liefde liever de niet-ronde jubilea
die je elke dag kunt vieren.
Hoor liever moralisten
die me niets beloven.
Zie liever berekenende goedheid dan al te lichtgelovige.
Zie de wereld liever in burger.
Heb liever onderworpen landen dan onderwerpende landen.
Houd liever mijn twijfel.
Heb liever de hel van de chaos dan de hel van de orde.
Lees liever Grimms sprookjes dan de voorpagina’s.
Heb liever bladeren zonder bloemen dan bloemen zonder bladeren.
Heb liever een hond met een niet-geknotte staart.
Zie liever lichte ogen, omdat mijn ogen donker zijn.
Heb liever laden.
Heb veel dingen die ik hier niet heb genoemd
liever dan veel dingen die ik evenmin heb genoemd.
Zie de nul liever los
dan staand in een rij achter een getal.
Heb liever de insectentijd dan de sterrentijd.
Klop liever af.
Vraag liever niet hoe lang nog en wanneer.
Houd liever rekening zelfs met de mogelijkheid
dat het bestaan zijn eigen redenen heeft.
naar boven
7 april 2007
Toiletjuffrouw
* Als ik met de trein reis en ik héb de keuze, dan zoek ik een plaatsje in de buurt van het toilet. Vooral ’s morgens doe ik dat, want dan moet ik nogal vaak plassen (de mannelijke ouderdom komt met gebreken, praktijkwijsheid van onbetwistbaar allooi). Het is zo langzamerhand een ingesleten gewoonte geworden waar lezers of medepassagiers verder niks achter moeten zoeken. Want het heeft natuurlijk ook z’n nadelen, zo’n plekje bij de wc, net als op een camping of in een slecht ingericht restaurant: het geeft maar overlastige aanloop en toenemende kans op weeë geuren. Het is net het leven – je blíjft schipperen.
* Afgelopen donderdag was het weer eens zover, met de stoptrein van Z. naar E. Gelukkig was de trein er al vroeg én leeg (want Z. als eindpunt), dus er was alle plaats van de wereld. En ik móest al voor we bij het station waren. Dus posteerde ik me in de kop van de trein, waar het toilet de buffer vormt tussen de eerste en de tweede klasse. Ik controleerde of de wc-deur niet op slot zat (wat vaker gebeurt dan u misschien denkt), en pakte m’n krant en m’n boterham uit. Nu nog even wachten tot de trein gaat rijden, want ik ben een brave gebruiker: ‘Tijdens het oponthoud op de stations gelieve men géén gebruik te maken van het toilet.’ Blauw bordje, witte letters, NS-huisstijl.
* Gezien m’n urologische omstandigheden nog maar nét verzoend met dit verzoek komt er een zwartgeklede juffrouw aangeklakt. Zij heeft lak aan het NS-verzoek, en met een welgemikte klap gooit ze de toiletdeur in het slot. Díe zit.
* Na tien minuten is de trein alweer toe aan het volgende station, de wc-deur is nog altijd potdicht, mijn hoge nood is alarmfase oranje gepasseerd. Een jonge werknemer met laptop-in-tas probeert de wc-deur, loopt zich vast en zet zich in de wachtstand. Vijf minuten later verlaat hij onverrichterzake de trein bij stationnetje K. Zal ik ’s kloppen? Misschien is ze wel flauw gevallen of anderszins onwel geworden. Ís de deur nog wel op slot? Ik ga kijken. Ja hoor, nog steeds het sein op rood. Net als bij mij.
* Met verbeten moed concentreer ik me op de krant, tot ik met een nieuwe klap bij de les geroepen word. Een ruimbemeten wolk toiletgeuren schicht me voorbij. Een kantoorjuffrouw van zo’n jaar of 22, inderdaad geheel in het zwart met ruim zilver hier en daar, op klikklakjes en het hoofd in de wolken. Netjes is het natuurlijk niet, maar ik snel meteen naar de verlossing.
* Ik betreed een kleinbehuisde beautysalon op een wolk van onderhoudsgeuren: hairspraygeuren, plamuurgeuren, poedergeuren, deogeuren, mondwater- en kauwgumgeuren – maar het kunnen natuurlijk ook ándersbedoelde geuren zijn. Tenslotte heb ik hier weinig ervaring mee. Het geblindeerde raampje is dicht en kan niet open, het kraantje lekt de laatste tinten rood en roze in de afvoer.
* En alle papieren handdoekjes zijn op: die liggen in een gestapelde zeshoek de hele wc-bril te bedekken. De juffrouw heeft lekker gezeten!
* Tenslotte een ‘Liedje’ van de dichter Hans Andreus, om niet al te chagrijnig over te komen. Bovendien kun je er meerdere kanten mee uit, kiest u maar! Het ‘Liedje’ komt uit de bundel ‘Muziek voor kijkdieren’, Uitgeverij Holland. Kijkdieren... soms weet je inderdaad niet wat je ziet!
LIEDJE
Alle roekoemeisjes
van vanavond
alle toedoemeisjes
van vannacht
wat zeggen we daar nu wel van?
Niets.
We laten ze maar zitten
maar zitten maar liggen maar slapen
maar dromen van jajaja.
naar boven
1 april 2007
Observeren maar
* Dit is eigenlijk een balthasarsblog-aflevering voor mensen die van de schrijver J.J. Voskuil houden. En die dus het een en ander van hem gelezen hebben, bij voorkeur het zevendelige ‘Het Bureau’ – over de werkzame jaren (1957-1987) van zijn alter ego Maarten Koning op Het Bureau (het huidige Meertens-Instituut voor Volkskunde, te Amsterdam). De zeven delen verschenen tussen 1996 en 2000 bij Uitgeverij Van Oorschot te Amsterdam, en waren van meet af aan een enorm succes.
* Als er één ding uit deze boeken tevoorschijn komt, dan is het wel Voskuil’s vermogen om te observeren en te beschrijven. Situaties, collega’s, de ‘moderne’ samenleving, zijn privé-omgeving en vooral ook zichzelf. Eén citaat om dit laatste te staven, uit deel 3, ‘Plankton’, pagina 550: ’Onderweg naar huis vroeg hij zich af hoe hij het in godsnaam had moeten aanpakken. Hij had haar om uitleg moeten vragen, haar zelf haar eigen denkfouten laten ontdekken. Maar hoe? Ik ben geen man voor mensen, dacht hij. Ik ben een man voor in een mangat, alleen, met een mitrailleur.’ - Oef!
* Ik doe hier geen poging om die boeken samen te vatten of te beoordelen. Daarvoor is het werk te omvangrijk (ruim 3000 pagina’s!), en de schrijver mij te na. Vanaf pagina 1 van deel 1 (‘Meneer Beerta’) tot en met pagina 220 van deel 7 (‘De dood van Maarten Koning’) heb ik me hartstochtelijk met de hoofdpersoon, zijn omstandigheden en zijn werkzaamheden kunnen identificeren. Dat maakte dat ik elk volgend deel op dag 1 van verschijnen aanschafte en onmiddellijk tot het einde toe las. (Getuige de verkoopcijfers moeten veel lezers eenzelfde ervaring gehad hebben. Ook al ken ik wel mensen die nog niet door één half deel heen konden komen – juist wegens identificatieproblemen! Te jong bijvoorbeeld, met een totaal andere invalshoek des levens behebt, of van een andere klasse humor bezeten.)
* Maar – zo kunt u zich afvragen – waarom begint Balthasar op 1 april 2007 ineens over een boekenserie die al 7 jaar geleden ten einde geschreven is? Heel eenvoudig, omdat ik vandaag begonnen ben in een nieuw boek van Voskuil, ‘Onder andere’ geheten. En met als ondertitel ’Herinneringen en dagboekbladen’. Op elke pagina wel lijkt ’Het Bureau’ even om de hoek te komen kijken. En dan vooral in de observaties en nauwkeurige (en vaak hilarische) beschrijvingen. Zo is er een portret dat ‘De duiven’ heet, en dat van ‘Dag 1’ tot en met ‘Dag 75’ verslag doet van het nestelen, broeden en de opvoedingsperikelen van een duivenpaar in een belendende boom. Voskuil doet daarbij waarnemingen die volgens een bevriende bioloog ‘onzin’ zijn: ‘Duiven hebben geen eendesnavel, ze worden net zo gevoerd als andere vogels en dat gebeurt door beide ouders. Op mijn verzoek om litteratuur heeft hij geantwoord dat duiven de meest oninteressante vogels zijn die hij zich kan voorstellen en dat er dus geen litteratuur over is, maar als ik dat zeker wil weten moet ik het zelf maar in de bibliotheek opzoeken, in de systematische catalogus, onder ethologie. Lijkt me geen vrolijke man.’
* Werkelijk een prachtboek, voor de liefhebbers, zie alinea 1.
* Ter afsluiting een gedicht van eigen hand. Niet om me te meten met Voskuil, dat zou pas werkelijk ‘onzin’ zijn. Maar omdat het ook over observeren gaat, al lang voor ‘Het Bureau’ geschreven werd (december 1985), en nog niet eerder in de openbaarheid kwam. In die tijd schreef ik nog gedichten zonder interpunctie, en met reden. Dat moet nu maar even zo blijven, een beetje lezer komt er wel uit dacht ik…
OBSERVEREN MAAR
de verwarming tikt
langs het raam
valt de regen
lampen gaan op
en hiernaast
blaft de hond
de buiten
deur klapt
in de hal
lekt verdriet
uit haar jas
op de grond
was je weg
met dit weer
zeg ik boven
even om want
ik barstte zowat
uit m’n kop
ik daal af
droog haar hoofd
kus haar wang
gaat het goed
met je werk
vraagt zij lief
ach
ik schrijf wat ik meemaak gewoon van me af
naar boven
|
Bio Balthasar
Kenmerken: Altijd ietwat gehaast, nogal opruimerig van aard, verbalistisch
ingesteld, tamelijk eigenwijs, kan nochtans goed luisteren. Lekkerste verjaardagseten: 1952
(aardappelen, bruine bonen, sla, hard gebakken spek). En o nog zoveel meer.
Houdt van: Literatuur, poëzie, geschiedenis, moderne beeldende kunst, woeste
luchten en landschappen met lage horizon, wandelen, natscheren en klassieke muziek,
thuiskomen en o nog zoveel meer.
Hekel aan: Loslopende honden (maar vooral die baasjes!), elke vorm van
extremisme, machismo, bladblazers en alle andere vormen van teringherrie, tempeh en o
nog zoveel meer.
reageren? balthasar at de-zeepkist.nl
|